IJskoud

Isa Maron

Over ijskoud van Isa Maron


Bestellen

Paperback, 320 p. | ISBN: 9789048822706 | € 19,95

IJskoud - deel 2. van de Noordzeemoorden

Op een koude novemberdag worden de doorgewinterde rechercheur Maud Mertens en de jonge Kyra Slagter weer samengebracht door een mysterieuze zaak. Die dag zijn op bijna hetzelfde moment twee jonge kinderen verdwenen. Hoewel de politie er met man en macht op zit, kan dat niet voorkomen dat er iedere dag meer kinderen ontvoerd worden. Er is geen enkele connectie tussen de verdwijningen: ze vinden overal in West-Nederland plaats, de kinderen zijn tussen de acht en 12 jaar oud en er wordt geen losgeld geëist. Diverse Amber Alerts leveren niets op. Hoe meer kinderen verdwijnen, hoe groter de onrust in het land. 

Voor Mertens vormen de verdwijningen een onwelkome herinnering aan het verleden, waarin een zaak met een jong meisje een noodlottige rol speelde. Kyra weet wat het is als een familielid wordt weggerukt en je vol vragen achterblijft: ontvoerd, vermist, vermoord? De zaak spoort haar aan haar eigen vermiste zus te moeten vinden: vier jaar geleden verdween Sarina en er werd nooit meer iets van haar vernomen. Tot Kyra ineens een briefkaart van Sarina ontving. 

Winnares van de prijs " Beste Nederlandse Vrouwenthriller 2008 "

Isa Maron was serveerster, karateka, voetbalmakelaar en directeur. Ze studeerde economie en psychologie. Haar debuut Passiespel werd gekozen tot Beste Nederlandse Vrouwenthriller. Van Isa verschenen ook Verboden Verleden, Vrij Zwemmen en Schaduwkant. Ze woont in Amsterdam met haar man, vier zonen, twee kippen en een hond.


Fragment uit Ijskoud


‘Jesse?’

Sophie Verster staat bij het hek waarachter de ezels zich bevinden, bij een van de laatste veldjes van de kinderboerderij. Haar adem maakt kleine wolkjes in de lucht. Haar ogen vliegen rond, ze speurt de omgeving af, de mensen, de kinderen. Het is niet druk vandaag. Het pad naar de pauwen ligt er verlaten bij en alleen verderop scharrelen wat vaders en moeders met hun kinderen tussen de kippen en de eenden. ‘Jesse?’ Waar zit hij nou? Hij loopt ook altijd bij haar weg zonder even iets te zeggen. Ze stopt haar telefoon in haar jaszak. Schapen, ezels, een leeg veld met schots en scheve hekken langs de sloot achter aan het terrein. Hij is nergens. ‘Jesse!’ roept ze nog een keer, bozer nu. Ze kijkt nog een keer bij de schapen en het hek aan het eind van de weg. Ze kijkt snel achter de struiken bij de speeltuin. Geen Jesse. Shit. Ze loopt een stukje terug en blijft bij een verweerde groene picknicktafel staan. Hij was hier net nog. Hij stond met het bakje kippenvoer in zijn handjes vlak naast haar naar de ezels te kijken, ze pakte even haar telefoon – die navelstreng naar de rest van de wereld –, stond te appen met een vriendin, keek op, en hij was weg. Gewoon weg. Ze rent een stuk richting de ingang, waar de kippen zijn, maar ook daar is hij niet. Ze had gedacht dat hij die beesten misschien al was gaan voeren. ‘Jesse!’ roept ze weer. Alsof dat helpt. Als hij haar zou horen dan kwam hij wel. Er zit 6 geen kwaad in dat jochie. Hij is niet iemand die pest of expres brutaaldoet. Waar is hij toch? ‘Jesse!’ Haar stem slaat over. Ze draait om haar as en kijkt nog een keer of hij echt niet in de buurt is. Ze rent een stuk terug, maar beseft dat ze daar al twee keer gekeken heeft. Ze kan niet geloven dat hij ineens verdwenen is. Hij is niet op het pad naar de ingang, en ook niet achter haar. Ze staat aan de rand van de kinderboerderij, waar het pad ophoudt en een knik maakt naar de achteruitgang, een poort die altijd afgesloten is. De typische boerderijgeur is ineens misselijkmakend; vochtig hout en blubber vermengd met kippenstront en ezelpoep. Ze rent naar het hek dat het verste stukje terrein scheidt van de buitenwereld, de smalle weg langs het Noordhollands Kanaal. Ze duwt de klink van de poort naar beneden. Dicht. Hij kan hier onmogelijk zelf naar buiten zijn geglipt. Ze gaat op haar tenen staan, leunt zo ver mogelijk over het hek en speurt tegen beter weten in de weg af. Kom op, Jesse, laat je zien. Links, bij de molen, is hij niet. Rechts, bij de ingang van de Buiktuin, ook niet. Ze laat zich terugzakken, pakt de tralies en schudt. Stevig en te hoog voor Jesse om overheen te klimmen. Hij moet echt nog ergens hier binnen zijn. Ze loopt terug naar de ezelweide. De dieren staan bewegingloos op het kale stuk grond. Een minuut is verstreken sinds ze opmerkte dat hij niet meer naast haar stond, misschien twee. Jezus, ze is verantwoordelijk voor hem. Ze is de oppas. Degene aan wie Ilonka al jaren haar kind toevertrouwt. Een akelige, koude rilling kruipt over haar rug en een moment voelt het alsof de wereld ronddraait, in duizelingwekkende snelheid, en alles om haar heen verandert in langgerekte strepen, terwijl zij daar in haar eentje staat, doodstil, in het oog van de storm, tot iemand aan de noodrem trekt, alles acuut tot stilstand komt en het lijkt alsof alleen zijzelf nog misselijkmakend rondtolt. ‘Jesse!’ Ze kan niet ophouden hem te roepen. Ze rent weg, schiet tussen de struiken door en rent weer naar het kleine, verborgen speeltuintje. Hij moet er zijn. Ze moet alleen beter kijken. Niemand. Een knalblauw plastic glijbaantje staat verlaten in de zandbak. Er staat een zwart-witte speelgoedkoe. Ernaast staat een bord: van spelen word je blij, maar opruimen hoort erbij. De deksel van de plastic kist waar het speelgoed in hoort staat open. Ze rent ernaartoe. Misschien verstopt hij zich. Misschien houdt hij haar voor de gek. Geen Jesse. Ze rent langs de wip, springt achter het bankje en kijkt achter de struiken. Hoe is het mogelijk? In godsnaam, Jesse, waar zit je? Ze schiet aan de andere kant van het speeltuintje weer tussen de heesters door, terug naar het pad, en rent naar het pleintje bij de ingang. ‘Jesse!’ Dit is de kleinste kinderboerderij op aarde. Twee ezels, wat schapen, een handvol geiten, een zootje kleine dieren. Hoe kan hij weg zijn? ‘Ik ben mijn kind kwijt!’ roept Sophie. Ouders kijken verschrikt haar kant op. ‘Mijn oppaskind! Jesse!!’ ‘Hoe ziet hij eruit?’ vraagt een vader die met twee jonge kinderen tussen de kippen staat. ‘Blauwe jas, spijkerbroek, blonde krullen, blauwe muts,’ zegt ze buiten adem.

Kyra Slagter zit op het voeteneind van haar tweepersoonsbed en staart naar de muur met de informatie over Sarina. Haar foto in het midden, de kaart van Texel – waar ze vier jaar geleden verdwenen i – met de route die ze gelopen heeft, steekwoorden uit getuigenverklaringen, kleding, plaatsnamen, de naam van de jongen die ze daar kennelijk ontmoet heeft, kopieën van de belachelijk hoopgevende ansichtkaarten die vier jaar nadat ze verzonden waren ineens boven water waren gekomen. Ruim een jaar geleden had haar moeder het haar nog verboden om zo intensief met de verdwijning van haar oudere zus bezig te zijn. Ze had geëist dat de muur leeggemaakt werd, dat Kyra zich zou bezighouden met school en niet met Sarina, met zaken waar je invloed op hebt, zei ze, en niet met zaken die ver buiten je bereik liggen. Ver buiten je bereik. Haar eigen zus. Mooi niet. Nu waren ze dat stadium voorbij. Ze was negentien geworden, volgde de opleiding forensisch onderzoek aan de Hogeschool van Amsterdam. Had dingen meegemaakt dit jaar, in haar idiote zoektocht naar de moordenaar van haar docent Marc Gaullier, die op de een of andere manier haar positie ten opzichte van haar moeder veranderd hadden. Sarina lacht haar toe. Blond haar rondom een mager gezicht. Grote groenbruine ogen en mooie rode lippen, zoals ze zelf ook heeft. Het is een heel gek idee dat ze nu net zo oud is als het meisje op de foto. Iets ouder zelfs. Waar ben je naartoe gegaan, zus? Wat is er met je gebeurd? Haar telefoon, die naast haar op bed ligt, begint te zoemen. Sophie. Vreemd, meestal appt ze. ‘Hi,’ zegt ze en Sophie begint meteen te praten. ‘Jesse is kwijt,’ zegt ze buiten adem. ‘Ik ben bij de Buiktuin en hij is ineens weg. Wil je naar zijn huis gaan en kijken of hij daar is? Ik wil hier blijven voor het geval hij terugkomt. Ik snap er helemaal niets van. Ik was hem ineens kwijt.’ Ze valt stil, als een auto die een noodstop maakt. ‘Ik ben al onderweg,’ zegt Kyra. ‘Ik pak de scooter. Heb je Ilonka gebeld?’ ‘Dat durf ik niet.’ ‘Bel in elk geval 112.’ ‘Ja. Misschien. Ik...’ stamelt Sophie. ‘Hij kan toch... Ik snap...’ ‘Wat heeft hij aan?’ ‘Een spijkerbroek en een blauw jack en een blauwe muts, zo’n felle kleur blauw.’ Kyra schiet in haar schoenen en rent de trap af. Scootersleutel.Winterjas, handschoenen. Snel.


Nieuwsbrief


Wil je op de hoogte blijven van vergelijkbare boeken, meedoen aan leuke, exclusieve acties en op de hoogte blijven van onze activiteiten?

Meld je dan nu aan voor de nieuwsbrief Spanning van The House of Books.

© 2015, Dutch Media Books - Deze website maakt gebruik van cookies voor websitestatistieken.